06 PAPER OF THE MONTH

D E E L   T W E E       DE  VIJFTIGER / ZESTIGER JAREN

marc chagall meermanno zelfportret

Tweede deel van de voordracht gehouden bij de opening van de ‘Klokken-tentoonstelling’  in het Meermanno-museum te Den Haag op 8 februari 2017. De voordracht kent een Inleiding, een deel over Chagalls kunst, een deel over de vijftiger jaren van de vorige eeuw en als afsluiting een deel over het IK bij Marc Chagall. Het eerste deel van de voordracht is als “Paper of the Month nr. 06 van oktober 2019 op de site gezet.   Hier volgt het tweede deel. 

 

STUDEREN in AMSTERDAM

In het midden van de jaren vijftig kwam de Psychologie-studie sterk in de belangstelling te staan aan de Vrije Universiteit vanwege de behoefte bij menige student om meer over zichzelf en over de mens te weten te komen. De jeugd van de confessionele zuil werd getekend door volwassenen die zo met hun God bezig waren dat ze nauwelijks aan de vraag naar de MENS toekwamen. Die eerstejaars studenten moesten een geweldige opdoffer incasseren, want ze kregen geen Zielkunde….. doch een levensvreemd Behaviorisme, barre Statistiek en van het leven geabstraheerde Filosofie. Ze leerden dat ’introspectie’ onwetenschappelijk, want onbetrouwbaar, was en de Psychologie-studie was blind voor het gegeven dat je het je hele verdere leven met jezelf moet doen. De kunstbeschouwing  aan de UvA en VU kenden een zelfde beproefde didactische methode: plaats de studenten voor twee werken (vaak middels dia-projectoren) om middels onderling vergelijken nadere Kunstkennis op te doen.  Beide kunstopleidingen cirkelden om de kunstenaars, hun producten en achteraf geconstrueerde stromingen en wilden een eigen volwaardige “ Beeldende kunst-discipline" opbouwen. Daarvoor was een eigen vocabulaire nodig. Sloot dat niet mooi aan bij de vroegere kunstkenner die op ‘verhoogde toon’ over kunst sprak of schreef?  Ja en nee. Ik heb de Neerlandicus prof. Kuiper eens in een college ontroerd - tot tranen toe bewogen- een gedicht van Vondel horen voordragen. Dat maakte zo’n diepe indruk: Voor het eerst ervoer ik vanuit de collegebanken de kracht van de poëzie en de dieptewerking van kunst. Dat is iets heel anders dan het gesleutel aan een nieuw begrippenapparaat waarbij de taal wordt ingeblikt en verabstraheerd tot een jargon dat alleen toegankelijk is voor insiders.

     

 

MARC CHAGALL, original lithograph, de klokken van Chagall, M.112, 1956
MARC CHAGALL, original lithograph, de klokken van Chagall, M.112, 1956

GEEN PLEK VOOR CHAGALL

Zo gaven noch de studie Psychologie, noch de Kunstgeschiedenis mij het gereedschap om verder door te dringen in Chagalls kunst. Vooral het taboe dat in de beeldende kunst rust om te spreken in gewone, heldere termen, ook als het gaat om het oproepen van het onzegbare, en het onvermogen voor het Behaviorisme om de diepere lagen in de mens aan te boren. Voor wie iets weet van Chagalls drijfveren is het niet verwonderlijk dat zo'n wetenschapsbeoefening weinig vat heeft op de kunst van Marc Chagall. Want het accepteren dat er kunst bestaat die pas echte kunst wordt wanneer de kijker er deel van uitmaakt vraagt om een ander instrumentarium en om een andere training van studenten dan dia’s vergelijken. Er bestond geeneens vraag naar. 

Hoe werd er dan over de kunst van Marc Chagall geschreven? Dan blijkt dat het essay van Joop Beljon (‘De klokken van Chagall’, 1956) prima in die tijd te passen. Andere schrijvers in Europa geven eenzelfde beeld. Het aardige van die hoogdravendheid en geleerddoenerij is dat het graag gebruikt wordt om de band die men heeft met het kunstwerk te onderstrepen. Doch zonder de simpele, oprechte uitwerking van die Neerlandicus met zijn gedicht van Joost van den Vondel. 

In de kleine kring rond Chagall in Frankrijk was dat niet anders. De teksten in de catalogi van Chagalls Maeght-exposities geven heerlijke voorbeelden. Maar er is een enkele uitzondering, zoals Aimé Maeght zelf (niet vreemd dat Chagall een beetje bang voor hem was) en Jacques Lassaigne - lid van Frankrijks Hoge Raad en in zijn vrije tijd onderzoeker naar levens en werk van enkele grote beeldende kunstenaars (Matisse, Picasso en Chagall).  Op zo’n enkele uitzondering na bestaat er geen werkelijk platform om Chagalls werk te leren kennen…. ondanks de duizenden boeken en publicaties. Hierin citeert men elkaar vooral inzake Chagalls levensloop (waar - zoals hierboven gezegd - de fantasie de klok slaat) doch vrijwel nooit over de inhoud en betekenis van de kunstwerken zelf. Waarom sluiten die boeken-monologen niet op elkaar aan? Waarom leren ze niet van elkaar? Waarom valt het mensen pas een halve eeuw later op wat voor onzin men aan Chagalls werk toedichtte? De verhalen over Chagalls klokken leveren hiervan een klinkend bewijs.   

 

TERUGBLIK  NA  ZESTIG  JAREN    

De hierboven beschreven tijd van de studie Psychologie en Kunstgeschiedenis hoort voorgoed tot het verleden. Naar wat ik meemaak zijn de veranderingen in inhoud en doelen grondig geëvolueerd en dat maakt het onderzoeken van Chagalls werk goed mogelijk. Of dat voor alle kunst geldt vraag ik me overigens af. Betreft die evolutie ook een betere beoordeling van de Picasso-etsen uit de Vollard-serie?  Of biedt het meer inzicht in onze ‘Kabouter Butplug’ op het Eendrachtsplein in Rotterdam? Of op die zwarte drollen die als afgietsels van dooie mensen in Amsterdam op sokkels staan? Geldt dat voor kunst die erop uit is om te shockeren of te ontmaskeren… en ga zo maar door. Voor mezelf kom ik langs deze weg doordenkend tot de vraag: Wat is kunst? Bepaalt het kunstwerk dat? Is het afhankelijk van degene die ermee geconfronteerd wordt? En wat zijn daartoe de criteria? Die vragen werden in het Behaviorisme als onwetenschappelijk terzijde geschoven, in de filosofie door redenaties ondergesneeuwd en die vragen kwamen in alle simpelheid in de kunstcolleges niet aan bod: men zou zich dood schrikken van angst. 

T E N S L O T T E     W I E   I S   I K ?

Marc Chagall zag niets in gedegen onderzoek naar zijn werk. Hij ging ervan uit dat degene die kijken kan het toch wel ziet en dat zijn werk voor anderen niet gebaat is met nadere bestudering of uitleg. Als het bovenbeschrevene klopt is, had Chagall groot gelijk ook nog. Toch betwijfel ik zijn houding en geef daarvan tot slot van dit verhaal over Chagalls Klokken één voorbeeld.

Kent u één kunstenaar die zichzelf zo vaak afgebeeld heeft als Marc Chagall? Meer dan zeventig jaren lang zo’ n drie tot tien keer per week. Tussen de twintig en dertig duizend keer. Waarom kom je dit gegeven in al die honderden boeken over Marc Chagall niet tegen? Zag men het niet?  Onlangs is een jeugdportretje van hem (uit de inboedel in Chagalls huis) ontdekt waarvan u hierbij een afbeelding aantreft. Vanuit de naaste omgeving wordt bericht dat men eigenlijk geen goed raad weet met dit portretje. Waarom niet? Zo is het ook voor het eerst in Brussel tentoongesteld. Die onwetendheid vind ik nou hoogst opmerkelijk.  

Weet u een goede verklaring voor al die zelfportretjes? Hij kan weliswaar ijdel zijn, doch hij beeldt zich vrijwel steeds wat scheelkijkend af, dus dat kan het niet geweest zijn. Maar waarom wel? Mij inlevend in de persoon van Marc Chagall en zijn werk overziend wil ik u hier mijn gedachten op loslaten omdat het zoveel te maken heeft met die ’klokken’. 

   

 

 

MARC CHAGALL, original lithograph, CHRISTUS IN DE KLOK, M.196, 1957
MARC CHAGALL, original lithograph, CHRISTUS IN DE KLOK, M.196, 1957

Marc Chagall moet al jong gevoeld hebben dat al die beelden en kleuren (die hij vanaf zijn geboorte heeft ingedronken en meegekregen) de basis vormen van zijn IK en dat diezelfde vormen en kleuren ook liggen opgeslagen in de hoofden van andere mensen om hem heen. Zodat het IK van mensen overeenkomstige betekenissen van die beelden en kleuren met zich meedraagt naarmate andere mensen deel uitmaken van dezelfde cultuur. En daarmee wordt dat IK iets wat zich niet alleen in Marc Chagall afspeelt. Dat IK is iets waardoor anderen deel hebben in wat er in hem speelt en waardoor hij partner is in wat er in anderen omgaat. De zoektocht van Marc Chagall is een zoektocht naar deze gemeenschappelijke wereld van beelden, vormen en kleuren.        

Litho M.196 geeft hiervan een treffend voorbeeld. In deze litho wordt het ’IK’ uit Psalm 130 ( "De Profundis”) door Chagall in vijf zelfportretten neergezet.

Deze portretjes zijn evengoed vijf portretten van de beschouwer die zich die IK weet. Als u nu het woord ’identificeert’ gebruikt, heeft u de betekenis ervan in het stijfsel gezet en begrijpt u niet waarom Chagall die duizenden zelfportretten nodig had. Die afgebeelde IK is de beschouwer van het werk (of u nu scheel kijkt of niet) die van-binnen-uit met dat werk bezig is.  Daarom heeft dat zojuist gevonden schilderijtje zo’n stralenkrans rond zijn hoofd: daar bevinden zich die beelden, vormen en kleuren die wij vanuit eenzelfde gedachtengoed hebben meegekregen, waar wij allemaal uit putten. 

Daarom pretendeert Marc Chagall een “Europees” kunstenaar te zijn. Daarom begint hij zijn boek “Mijn leven” met de beschrijving van een boreling die zo vol beelden zit, dat hij geen tijd had om aan ademhalen te gaan denken. Zo vindt hij die beelden terug op zijn doeken, ook al begrijpt hij soms/vaak niet wat ze betekenen.  Die beelden zijn heilig, want ze zorgen voor het contact met het leven waar je midden in staat. Koester die beelden, poets ze op en verrijk zo je leven.              

 Den Haag, 8 februari 2017

Pieter Zuidema

Reactie schrijven

Commentaren: 0

Chagall Gallery Wuyt

Erik de Wolf BSc - Gallery-owner   

Spiegelgracht 32

1017 JS Amsterdam

+31(0)642 694 446   

galerie@chagall.nl

 

Chagall Sharing Knowledge

     P. van der Woel M.A. - Chairman 

Stichting Zingevende Ambachten 

     +31 6 44 63 03 33

       pieter@zingevendeambachten

 

Chagall Research Centre 

Pieter Zuidema M.A. - CRC - director   

Lange Leidsedwarsstraat 143 (bg) 

1017 NK  Amsterdam

+31 (0)20 73 72 739  

+31 (0)624 105 863 

info@chagall.nl